Afdrukken

Als opmaat naar de Oostermeent triathlon in Huizen, had ik mij door mijn zoon Roemer op laten geven voor de mini-triathlon van Het Baarnsch Lyceum. Deze mini-triathlon staat open voor leerlingen, ex-leerlingen, leraren en ander personeel, ouders en verder iedere 'introducé'. Het is dus eigenlijk min of meer een open kampioenschap voor Baarn en omgeving. Het 'mini' betekent in dit geval 1/10 van de hele afstand, dus: 400 meter zwemmen, 18 kilometer fietsen en tenslotte 4,2 kilometer lopen. Zoals bij iedere triathlon heb je bij het wisselen van 'discipline' de haastige verkleedpartijen. Dat wil zeggen, als je de triathlon solo doet. Van de 60 inschrijvingen waren er slechts 24 solisten. Er waren 7 inschrijvingen van duo's en maar liefst 29 trio's, die de triathlon in estafettevorm zouden doen. De laatste groep heeft helemaal een makkie. Die hoeven dus helemaal nergens van uitrusting te wisselen.

Roemer zou zelf, ondanks zijn succes bij de Soester jeugdtriathlon, als trio meedoen. Dat vond hij gezelliger. De andere twee leden van zijn team vonden dat kennelijk niet, want een week voor de wedstrijd gaven zij te kennen dat zij toch liever naar een tennistoernooi gingen. Zo stond Roemer er alsnog alleen voor.
De dinsdagdag voor de wedstrijd moest Roemer een voetbalwedstrijd spelen op kunstgras. Dat is geen doen voor jongens die dat niet gewend zijn. Zijn benen vertoonden na afloop talloze lelijke schaafwonden van het vallen op dat snertspul. De woensdag voor de wedstrijd zag het er nog zo slecht uit, dat we toch eigenlijk vonden dat hij zo niet kon zwemmen.
Nu zou er donderdag, via een uitwisselingsprogramma van de school, een leeftijdsgenoot uit Engeland bij ons komen logeren. Wij hadden al gehoord dat sommige Britse gasten ook aan de wedstrijd mee zouden doen. Wij mailden dus naar James (want zo heette hij) of hij voor Roemer zou willen zwemmen in de triathlon. Toen hij donderdag arriveerde bleek het dat hij onze vraag niet meer had gezien, maar dat hij wel een zwembroek bij zich had. Hij vond het geen probleem om de zwembeurt van Roemer over te nemen. Mooi.

Op de vrijdag van de wedstrijd togen mijn vrouw Christine en ik flink op tijd naar het Bosbad Lage Vuursche, het zenuwcentrum van de triathlon. Dit is een prachtig buitenbad zonder veel fratsen, dat, zoals de naam al zegt, midden in het bos ligt. We waren gepakt en gezakt, want je hebt wat spullen nodig voor zo'n triathlon. Dat zullen jullie zo wel merken. Christine had de mountainbike voor Roemer bij zich.
Roemer en James zouden rechtstreeks vanuit school komen en waren er nog niet. Ik meldde mij alvast bij de wedstrijdleiding die nog druk doende was de startbewijzen in orde te maken.
Die startbewijzen zijn nog een verhaal apart. In plaats van een startnummer krijg je een oranje papiertje ter grootte van een briefkaart. Die kaart moet je de hele race bij je houden en op verschillende controlepunten af laten stempelen. Voor het eerst na het zwemmen, 5 keer bij het fietsen, 1 keer bij het lopen. Ik kan jullie zeggen dat ik van tevoren al van die stempels heb gedroomd. Hoe ik ook fietste, ik werd steeds terug gestuurd om een stempel te halen.
Maar goed, ik kreeg uiteindelijk mijn eigen startbewijs en vroeg gelijk ook dat van Roemer mee. De wedstrijdleidster had al gehoord dat een Engels jongetje voor hem zou zwemmen, maar ze moest nog wel even zijn naam hebben. James H. Zijn achternaam zal ik hier verzwijgen, want ik weet niet wat ik verder nog over hem ga schrijven.

Er waren twee starts. Een om kwart voor twee en een om twee uur. Ik zat in de eerste start en het duo James/Roemer ook. Bij het zwemmen zouden zes personen tegelijk van start gaan in één baan. Drie aan de ene kan en drie aan de overkant. Volgens de instructie moesten we rechts houden in onze baan en alleen inhalen als we niemand hinderden. Voor de Engelse deelnemers zou dat eerste natuurlijk een handicap zijn. Ik hoopte dat dat tweede een handicap voor mij zou zijn.
Zo'n 20 minuten voor de start kwamen Roemer en James opdagen. Ik liet ze het startbewijs zien en begon aan James uit te leggen hoe wij zouden moeten zwemmen. Hij lette niet zo erg op en toen ik uitverteld was, meldde hij dat hij "probably not allowed to swim" was. Hoezo "probably not allowed to swim"? "Well, my teachers say I am, probably not allowed to swim." Ja, wat moet ik daar nou mee "probably". Mag het nou of mag het nou niet? "Maar wie verbiedt het dan?" James bleef ferm bij zijn eerste stelling. Dan maar een teacher opgezocht.
De teacher liet er geen twijfel over bestaan. Hij deelde heel laconiek mee dat James inderdaad niet mocht zwemmen, omdat de school daarvoor toestemming van zijn ouders nodig had en dat James dit natuurlijk had geweten. Even bellen met de ouders was ook geen optie, want de school had de toestemming schriftelijk nodig. Daarmee was voor hem de kous af. Lekker. 15 minuten voor de start was Roemer voor de tweede maal in de steek gelaten door zijn teamgenoot. Dan toch maar zelf zwemmen?

Ik zat zelf inmiddels goed in de wedstrijdstress. Ik kon me hier niet langer mee bezig houden. Ik moest het wisselpunt nog inrichten.

Bij een officiële triathlon is er een 'parc fermee'. Het wisselgebied is dan streng bewaakt en afgesloten voor iedereen zonder startnummer of organisatiehesje. Hier was dat kennelijk niet te regelen en moesten we een plaatsje zoeken tussen de fietsenrekken van het zwembad. Christine zou onze spullen in de gaten houden.

Ik was eigenlijk van plan om, als oefening voor de triathlon van Huizen, waarbij in Gooimeer gezwommen wordt, ook hier in mijn wetsuit te zwemmen. Vanwege het enorm warme weer, de wisseltijd die dit extra zou kosten en om mijzelf niet volstrekt belachelijk te maken in het veld van luchtig geklede zwemmers, zag ik hier op het laatste moment vanaf. Mijn zwembrilletje ging natuurlijk wel mee.

Zo, ik was er klaar voor.

Terug in het zwembad hoorde ik nog net de laatste instructies voor de start. Roemer schoot mij aan. Hij had iets met de wedstrijdleiding weten te regelen. Ze hadden het zo sneu gevonden dat hij voor de tweede keer in de steek gelaten was, dat mijn zwemresultaat ook voor hem zou gelden. Een hele mooie oplossing. Chapeau wedstrijdleiding. Alleen was het wel handig geweest als ze de scheidsrechter bij het zwemmen ook even op de hoogte hadden gesteld. Op het moment dat ik twee startbewijzen had ingeleverd en haar eindelijk had duidelijk gemaakt wat de bedoeling was, was het aftellen al op 15 seconden uitgekomen.
Ik stond samen met een jongen bij baan twee. Roemer was weg om zich alvast in het fietstenue te hijsen. De bofkont.
Ik informeerde nog even bij de jongen of hij snel kon zwemmen. Ja, dat kon hij wel, maar hij was van plan rustig aan te doen. Mooi, dan ga ik voorop.
Gauw nog wat spuug op de glaasje van mijn zwembril tegen het beslaan. Ietsje schuiven nog. Zo zittie goed. 4, 3, 2, 1, start. Met een ferme duik was ik weg.
Kijk, en dat is dan zo aardig. Dat je van alles oefent, maar dat je sommige dingen toch gewoon over het hoofd ziet. Bij het trainen start ik altijd ín het water met mijn brilletje op. Ik had er nog nooit mee gedoken. Het brilletje zat dan ook direct om mijn hals in plaats van voor mijn ogen. Wat nu? Even inhouden en goed opzetten? Dat kost tijd. Bovendien lig ik dan niet meer vooraan in mijn baan. Dat is ook nadelig. Doorzwemmen dan maar.
Het is gek dat als je zo'n brilletje eenmaal gewend bent, het heel lastig is om zonder te zwemmen. Het lijkt wel of het water dan harder klotst, of je minder regelmatig kan ademen. En, hoe klein zo'n kreng ook is, je voelt de weerstand ervan in het water.
Na vier baantjes begon ik een beetje te wennen. Ik had de tegenliggers vier maal gekruist. De jongen die aan mijn kant gestart was zat nog vlak achter mij. Nu ik het ritme hervonden had begon ik uit te lopen. Bij het zesde baantje haalde ik de eerste tegenligger in en niet veel later ook de andere twee. De jongen had mij aanvankelijk nog op afstand weten te volgen, maar ik kruiste hem nu halverwege het bad. "Nog 100 meter," zei de scheidsrechter. 100 meter? Oh, 4 baantjes. Dat klopt gelukkig met wat ik zelf heb geteld. In het laatste baantje lapte ik de jongen die naast mij was gestart. Ik hoopte dat hij representatief zou zijn voor de andere deelnemers.

Na het 16de baantje klokte ik af en hees ik mijzelf uit het water. Negen minuut en een beetje. Geen tijd om er over na te denken. De scheidsrechter stond al klaar met mijn stempelkaart. "Bedankt, maar die andere ook graag." "Andere? Oh ja!" Nu zag ik Roemer staan. "Ik ga alvast lopen. Neem jij je eigen kaart maar in ontvangst.

Hollend naar de uitgang van het zwembad besefte ik opeens dat het allemaal erg oneerlijk was. De zwemmers die aan de andere kan waren gestart en dus ook aan de andere kant uit het water zouden komen, hoefden 25 meter minder te lopen naar de uitgang. En niet zo maar 25 meter, maar 25 hele drukke meters. Want het publiek stond er met de neus bovenop langs de lange kant van het bad en was soms pas na claxoneren ('toet-toet') bereid opzij te gaan.

Bij de fiets aangekomen droogde ik mij haastig af. "Je bent de tweede," zei mijn vrouw. Daar was Roemer alweer met zijn kaart. Hij spong op de fiets en was weg. Ik pakte eerst de loopbroek en trok die over m'n zwembroek aan. Daarna wilde ik in mijn shirt kruipen. Helaas dat lukte dat niet zoals ik had bedacht. Het shirt bleef ter hoogte van mijn schouders aan mijn natte lijf plakken. Aan de voorzijde kon ik het nog lospeuteren, maar op mijn rug kon ik er echt niet bij. Uittrekken dan maar en opnieuw beginnen? Nee, ik vroeg mijn vrouw om hulp. Zij wist het shirt in 4 tellen naar beneden gerold te krijgen. In een officiële wedstrijd wordt je voor deze hulp gediskwalificeerd. Ik vond echter dat ik mijn leerpunt al gehad had en ook maar een beetje officieus moest doen.
De sokken gingen vlot. Buff om. Zonnebril op. Helm op. Stempelkaart in de achterzak van het wielershirt. Opstappen wegwezen.
Dat moet je eens proberen, in schoenen stappen die op vrij draaiende pedalen zijn vastgemaakt. Volgens mij lukt dat alleen als je op je rug gaat liggen, met de fiets tussen je benen en zelfs dan moet je dat goed geoefend hebben. Ik gaf het na een poging of 12 definitief op. Dan de schoenen eerst maar van de pedalen halen. Als je de schoenen aan hebt, is een kleine draaiende beweging van je voet voldoende om ze los te klikken. Als je ze met de hand los moet maken wordt duidelijk dat wat je met je voet doet veel 'handiger' is dan je het met je hand kan. Mensen wat kost dit een tijd. Talloze fietsers waren al vertrokken. Daar ging mijn mooie 2de positie. Eindelijk was ik weg. Ho, ho. Nog even een stempel halen.

Het fietsparcours bestond uit twee rondes langs de Hilversumse straatweg. Eerst een paar honderd meter om het bos uit te komen en dan over het fietspad langs deze redelijk drukke provinciale weg.
Het fietsen viel eigenlijk tegen. Ik moest flink trappen om op 27 km/u te komen. Dat is mijn gemiddelde snelheid als in naar mijn werk fiets. Ik moet natuurlijk harder kunnen. Zou ik het zwemmen zo zwaar in de benen hebben? Opeens ging het een stuk makkelijker. Ik keek eens achterom. Vals plat. Nu ging het met 32 km/u. Er zouden nog wel een paar hellinkjes komen. Ik besloot niet te forceren. Gelukkig was dat ook niet nodig. De inhaalrace was duidelijk begonnen. De ene na de andere voorpieper moest eraan geloven. Nu moet ik wel zeggen dat ik voordeel had van mijn materiaal. Ik heb een hele behoorlijke, zij het wat gedateerde racefiets. De meesten reden op mountain bikes een enkeling op een gewone fiets. Ik heb zelfs een meisje zien fietsen op een knalgele oma-fiets. En hard dat ze ging.
Ter hoogte van de Hilversumse golfclub, waar prins Bernard vroeger z'n balletjes sloeg, was een keerpunt. Je moest daar een stempel halen en je moest onder begeleiding de weg oversteken om aan de andere kant terug te fietsen. Die begeleiding was anders dan anders. Normaal houden de verkeersregelaars tijdens een wedstrijd het verkeer tegen, zodat de deelnemers ongehinderd het parcours kunnen vervolgen. In dit geval ontbrak de bevoegdheid die daar voor nodig schijnt te zijn. De autoriteit van de overzetters gold alleen de deelnemers, die tegen werden gehouden totdat er naar hun mening voldoende ruimte tussen de auto's zat om over te steken. Ze namen geen risico's. Het duurde voor je gevoel een eeuwigheid, maar in werkelijkheid toch al gauw 30 seconden.
Bij de eerste keer overzetten kreeg ik gezelschap van een jongen die in vol rennersornaat op een Bianchi racefiets zat. Ik was opeens een stuk minder tevreden over mijn eigen fiets. Dit was serieus wielerspul. Het rennertje zelf was ook heel professioneel. Hij pikte na het overzetten aan mijn wiel en liet mij de 'klim' naar Lage Vuursche aantrekken. Nu mag je tijdens een echte triathlon niet stayeren, maar daar trekt een beetje professionele wielrenner zich natuurlijk niets van aan. Het stayeren zit bij hen gewoon in het ruggenmerg. Ik keek even over mijn schouder. "Mooie fiets," riep ik hem toe. "Dank u," zei hij met een brede lach. We hadden zo met z'n tweeën aardig wat fietsers ingehaald. In de verte dacht ik Roemer te zien. Even voorbij Lage Vuursche vond Bianchi toch dat het tempo omhoog moest en kwam hij mij voorbij. "Zet hem op," riep ik. Hij hield even in. "Wat zegt u?" "Ik zeg: zet hem op." "Oh, dank u wel." Zo beleefd, toch nog niet helemaal professioneel.

Bianchi reed nu voor mij uit en ik zag hoe hij inderdaad Roemer inhaalde. Niet veel later reed ik hem ook voorbij. "Gaat het goed?" Geen antwoord. "Je bent je helm vergeten." "Wat?" "Je helm ligt nog bij de fietsenstalling." "Oh."

Een stuk verderop had Bianchi de pech om achter een gezelschap van rustig rijdende oudere dames uit te komen. Het duurde een hele tijd voor ze ook voorin in de gaten hadden dat er iemand langs wilde. Juist op dat moment kwamen er een paar spookrijdende fietsers ons te gemoed. Arme Bianchi hield zich zonder ook maar even te vloeken opnieuw in. Hij had nu zijn hele voorsprong op mij verspeeld en Roemer was alweer op mij ingelopen. Toen de spookrijders voorbij waren dook Bianchi direct in het gat. Ik er achteraan. Daar hadden de dames kennelijk niet op gerekend, want nadat Bianchi hen voorbij was zwenkten ze direct weer naar links. Ik moest uitwijken en kwam met mijn smalle bandjes in de berm terecht. "Daar ga ik," dacht ik. Gelukkig kon ik nog net de macht over het stuur houden in het hobbelige gras. Voorzichtig stuurde ik weer naar het asfalt toe. Net op het moment dat ik weer het verharde fietspad op kon, kwam er een fietser voorbij die mij weer terug de berm in duwde. Mijn bloedeigen zoon Roemer. Nu was ik even heel wat minder voorkomend dan Bianchi.

We waren vlak bij het tweede keerpunt. Ik reed Roemer nog net voorbij, zodat ik eerder een stempeltje kon krijgen. Bianchi stond nog te wachten om overgezet te worden. "Fraaie move was dat daarnet Roemer." "Huh?" "Je reed me zo van de weg af." "Nou, ik reed daar gewoon." Onbegrip. Andere golflengte.
Bianchi, Roemer en ik werden gelijktijdig overgezet. Bianchi zette aan en reed onnavolgbaar hard weg. Ik heb hem niet meer terug gezien. Ik was op mijn beurt vast van plan Roemer flink op afstand te rijden. Het ging hard: 35-36 km/u totdat het weer ging klimmen. Ik passeerde de ingang naar het bosbad. Nu gaat de tweede ronde in. Het tempo daalde, maar ik wist dat dat klopte. Dit leek mij een goed moment om even te drinken. Dat moest ik vooral niet vergeten met deze temperatuur.

Een stuk verderop, niet zo heel ver voor het keerpunt, reed een ligfiets. Die ging ook hard, maar als ik een beetje m'n best deed, kon ik hem nog voor zijn bij het stempelen. Het lukte net. Ook omdat ik wat makkelijker de kaart aan kon geven dan de jongen in de ligfiets. Nu hadden we reuze pech. Er kwam een enorme file aan van auto's die achter een landbouwtrekker reden. "Tja," zei de overzetter, in wie ik nu de wiskundeleraar herkende. "Net, vóór die trekker was er hele tijd niets." Ik dacht er even over om hem uit te leggen hoe dat kwam, maar zag er toch maar van af. We hebben daar denk ik toch wel een volle minuut gestaan voor we konden oversteken.

Het laatste lange stuk. Ik keek achterom. Alleen de ligfiets kon een beetje bijblijven, maar het gat werd groter. Hoeveel fietsers zouden er nog voor mij zitten? In ieder geval Bianchi, maar verder had ik toch aardig wat in gehaald. Het konden er zo veel niet meer zijn.

Na de klim naar Lage Vuursche lukte het mij niet om naar een groter verzet te schakelen. Nu helpt het wel eens als je eerst even nog kleiner schakelt. Vanuit die positie lukt het dan wel om groter te schakelen. Dit keer niet. Nog een keer kleiner. Mijn benen maalden nu als een losgeslagen windmolen, maar groter schakelen lukte niet. Dat heb ik weer. Ik trap me wezenloos en kom nauwelijks vooruit. Dat houd ik zo niet vol tot de wissel. En toen opeens ... klik, klik, klik, schakelde hij opeens drie tandwielen zwaarder. Pioew, niet te veel meer aan doen. Nou, eentje dan nog, klik. Gelukkig. Nu afblijven.

Daar was het tweede overzetpunt. "Ben u daar nu alweer!" zei de man die de stempelpost bemande. "Ja," zei ik trots, "snel hè". We konden nu direct oversteken, maar werden tegenhouden door de verkeersregelaar. De open ruimte was haar niet groot genoeg. De ruimte achter de volgende auto was kleiner, maar kon haar goedkeurig wel wegdragen. (Daar is een mooie theorie over, maar die uitleggen zou hier te veel ruimte kosten.)
Snel naar het zwembad. De verkeersregelaar die bij de afslag op de hoek stond had niet verwacht dat ik af zou slaan, terwijl ik toch heel duidelijk mijn hand uitstak. Ik reed hem bijna van zijn sokken.

Ik draaide het parkeerterrein bij het zwembad op. Op de hoek stond Christine. "Je bent de eerste," riep ze. De eerste? Dat kan niet. In ieder geval moet Bianchi voor me zitten. Als ze die gemist heeft, kunnen ook nog wel een paar anderen haar zijn ontgaan.

Bij de fietsenstalling stapte ik af. Nu de rijwind wegviel, overviel de warmte mij. Grote genade wat was het heet. Snel helm af, bril af, schoenen uit, loopschoenen aan. Veters strikken kost tijd. En wegwezen weer.

Honderd meter voor mij, bij de ingang van het loopparcours, tikte de ligfietser zijn loper aan. Die trio's hebben het toch maar makkelijk, niks geen wisseltijd. Kijk die krullenbol eens lopen. Helemaal fris nog. Terwijl mijn benen zwabberen van het fietsen. Het voelt een beetje als lopen nadat je lang op een deinend schip gevaren hebt. Wat heb ik een dorst. Shit! Vergeten te drinken bij het wisselen. Nog dik 20 minuten hollen. Dat ga ik niet volhouden zonder te drinken. Misschien mét drinken ook wel niet. Ik ben een beetje misselijk.

De krullenbol loopt nu zo'n 50 meter voor me en hij kijkt steeds achterom. Hij is kennelijk bang dat ik hem inhaal. Wees maar gerust, het zit er niet in. Ik ben al blij als ik het überhaup volhoud. Wat zou ik lopen? 10,5 of 11 km/u. Zeker niet mijn normale tempo. Tjee wat voelt het beroerd. Toch loop ik iets in. Misschien is de krullenbol te snel van start gegaan en zit hij er al doorheen. Dat komt vaker voor bij van die jonge jongens. Ik ben wel blij dat hij voor mij loopt. Het parcours is niet zo duidelijk aangegeven en hij lijkt de weg te weten. Kijk, zonder hem was ik hier rechtdoor gelopen, maar we moesten dus rechtsaf. Hoe ver zou het nog zijn tot het keerpunt? Ik vraag daar gewoon of ze wat te drinken bij zich hebben. Als ze niets hebben moet ik maar opgeven, want dit gaat zo niet. Wat is het vreselijk warm.

Daar was het keerpunt, tevens stempelpost. Ik arriveerde er gelijk met de krullenbol, die kennelijk inderdaad zijn beste krachten reeds had gegeven. Het bleek dat ik een oase had gevonden. Naast de stempeltafel was een andere tafel die vol stond met bekers water. "Neem maar jongens, en je mag het ook over je heen gooien." Heerlijk. Heerlijk. Heerlijk. Maar het kost wel tijd. Nadat ik mezelf gelaafd had, was krullenbol bijna uit het zicht. Laten we maar eens kijken wat daar nog aan te doen is.

Ik had de achtervolging net ingezet toen er een jongen van een jaar of 17 met grote passen op mij afkwam. Allemachtig wat gaat die hard. Die komt mij nog wel voorbij, ook al moet hij nog naar het keerpunt. Het gebeurde zelfs nog eerder dan ik verwachtte. Alsof je stilstaat. Een tweehonderd meter verderop haalde hij ook krullenbol in en verdween in de verte.

Ik kwam nu redelijk wat tegenliggers tegen. "Is het nog ver." "Nee, het valt mee, en je kunt er drinken." De meesten renden, maar er waren er ook heel wat die nu al aan het wandelen waren geslagen. Een bocht, nog een bocht, daar was de finish. Krullenbol had nog 100 meter voorsprong en die gunde ik hem van harte. Nou vooruit, toch nog even aanzetten de laatste 50 meter. Vooral de goede knop van m'n horloge indrukken. Ja: 1:13:09. Niet de gehoopte 1:10, maar gezien de omstandigheden toch niet onverdienstelijk. "Ho, ho, meneer, nog niet doorlopen. U krijgt nog een stikker met de tijd." Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. De stikkerschrijvers moesten er duidelijk nog een beetje inkomen. "Hoeveel zijn er eigenlijk al gefinisht?" "U bent de derde." De derde? Hoe kan dat nou. Krullenbol was mij voor en die zat in een team met ligfiets. Superhardloper was mij voor, maar heeft mij ingehaald. Hij kan dus nooit in één team met Bianchi hebben gezeten. Ik heb met lopen niemand ingehaald, dus de loper van Bianchi moet eerder aangekomen zijn. Op z'n best dus vierde volgens mijn berekening.

Ik besloot nog even te kijken bij de finish voordat ik mijn stempelkaart ging inleveren. Daar kwam het zoontje van trainingsgenoot Els aan: "Hup Falco!" En daar het eerste meisje. Dat ziet er ook prima uit. En daar, ja, daar is Roemer al. Dat heeft hij toch ook niet slecht gedaan. "Hup Roemer."

Hij was er dit keer eens echt voor gegaan. Hij voelde zich beroerd en had het kippenvel op de armen staan. Even heel rustig aan doen. Als ervaren finisher zorgde ik wel even dat Roemer ook een tijdstikker kreeg.

Achter de tafel waar we onze stempelkaart moesten inleveren zat Katherine, een moeder die wij nog kennen van de basisschool. "Zo," zei zij toen ik mijn kaart aan haar gaf, "solo." "Ja, dat kan je ook wel zien," zei de vrouw naast haar. "Moet je eens kijken naar dat hoofd." "Ja, de hitte hè." "Ja, het is nog warmer dat toen in Rotterdam, toen de marathon is afgelast," zei Katherine, die zelf ook hardloopster is. "Hoe warm is het dan?" "31 graden? Eenenderig graden! Onverantwoord.

Christine had de fietsen op slot gezet en was in het zwembad. Was alles goed gegaan? Ja, maar wel zwaar. Roemer was nog een beetje pips. Wat nu? Naar huis? " Nou," zei Christine, "James is nog aan het zwemmen." James aan het zwemmen? Maar, maar, maar ....
Het bleek dat hij uitsluitend toestemming nodig had om in de wedstrijd te zwemmen. Het was natuurlijk heel gevaarlijk om te zwemmen als er 60 mensen naar je staan te kijken. Je kan veel beter onopgemerkt in het gewoel zwemmen, waar niemand op je let. Rare jongens, die Britten.

Dit zijn mijn tijden:

Baarnsch Lyceum mini-triathlon (1/10) 22,6 km 1:13:09
zwemmen 0,4 km 0:09:13 2,60 km/u
fietsen 18,0 km 0:39:10 27,57 km/u
lopen 4,2 km 0:20:15 12,44 km/u
wissels - km 0:04:31 - km/u

Dat zwemmen is een nipt persoonlijk record. Het fietsen is moeilijk te beoordelen. Deze tijd is natuurlijk inclusief het wachten bij het overzetten en stempelen. Als ik er nu eens twee en een halve minuut af trek, heb ik toch ongeveer 30 km/u gereden. Dat is niet zo slecht. Het lopen valt mij achteraf erg mee. 12,4 km/u is zeker niet top, maar ik vreesde tijdens de wedstrijd veel langzamer te lopen. Voor mij dus alle reden om tevreden te zijn.

Hoewel de mini-triathlon geen wedstrijd is in de zin dat er een officiëel klassement wordt opgemaakt en een prijs wordt uitgegereikt, vond ik het toch wel leuk om van Katherine te horen dat ik ook na de tweede start eerste van de solo deelnemers en derde in het totaalklassement was gebleven. (Bianchi bleek zo hard te hebben gefietst dat hij de afslag naar het bosbad had gemist. Ter hoogte van Hilversum was hij er pas achter gekomen dat hij fout was gereden.) Bovendien was Roemer waarschijnlijk tweede geworden bij de duo's. Aangezien ik in zijn team zat voor het zwemmen, heb ik in één wedstrijd zowel een eerste, een tweede en een derde prijs verdiend. Als dat geen aansprekend resultaat is.
Volgens mijn dochter werkt het echter zo niet: no trophy, no glory.

Categorie: Zone 3
Hits: 3070